Psychofarmacologie | Antwoorden casus psychofarmacologie

Casus I

  1. Het kan zijn dat de depressie nog reageert op een andere behandeling en er kan ook iets anders aan de hand zijn.
  2. Medicatie ontrouw, te lage dosering/te korte behandel duur, resistentie voor een specifiek middel, onjuiste diagnose.
  3. Soms voegt men een benzo toe om angst te verminderen en de slaap te verbeteren. Tot het effect van het antidepressivum is opgetreden. Ivm lichamelijke afhankelijkheid sluipt men na twee tot vier weken uit
  4. Vertraging kan zich ook uiten in: verminderde en starre mimiek, zachte monotone spraak, korte en trage antwoorden, traag denken, stupor (bewegingsloosheid)
  5. Ambulant. Cl is niet psychotisch niet ernstig suïcidaal, geen levensbedreigende lichamelijke toestand
  6. Duizeligheid en hoofdpijn zijn symptomen die het gevolg kunnen zijn van het staken van een ssri
  7. Uitsluipen
  8. Gezien de aard van de klachten en familieanamnese is een lichte tot matige depressie de meest waarschijnlijke oorzaak. Dd somatische oorzaak
  9. Somatische anamnese, lichamelijk onderzoek, lab onderzoek
  10. Hypothyreoidie speelt een belangrijke rol. Daarnaast kan oxazepam een rol spelen. Verder erfelijke eigenschappen en het uit huis gaan van de jongste dochter
  11. Stemmingsstoornis door hypothyreoidie met depressieve kenmerken en na uit huis gaan dochter
  12. Eerst alleen de hypothyreoidie met schildklierhormoonsuppletie. De depressieve klachten kunnen hiermee volledig verdwijnen. Deze veranderingen treden op zodra de schildklierwaarden weer normaal zijn.
  13. CGT en IPT, maar ook andere benaderingen kunnen werken, E health, CBASP, ACT, Mindfullness
  14. Ja, PT en AD zijn bij een lichte tot matige depressie ongeveer even werkzaam. De voorkeur van pati├źnte speelt dan belangrijke rol.